Nieuws

Wel een erg zure misrekening

2018-10-18

Wel een erg zure misrekening: billijke vergoeding en daarna óók nog de transitievergoeding

Een wat bijzondere kwestie waarover het gerechtshof Den Haag moest oordelen. En ook bijzonder zuur, nu het er alles van weg heeft dat de werknemer in kwestie niet bepaald met open vizier gehandeld en geprocedeerd heeft. Het komt uiteindelijk de werkgever wel heel erg duur te staan.

Wat is er aan de hand? Reeds in 2016 wendt de werknemer zich tot de kantonrechter met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat is an sich al niet al te gebruikelijk, immers meestal is het toch de werkgever die om ontbinding verzoekt. Hoe dan ook, de werknemer neemt het initiatief en vraagt niet alleen aan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te beëindigen (daar ging het de werknemer natuurlijk ook niet om: als hij alleen een beëindiging had gewild, had hij ook gewoon kunnen opzeggen), hij vraagt de kantonrechter óók om aan hem een zogenaamde billijke vergoeding toe te kennen. Een werknemer komt in aanmerking voor zo’n billijke vergoeding indien de werkgever “ernstig verwijtbaar” heeft gehandeld. Kennelijk is daarvan in dit geval sprake, nu daadwerkelijk de kantonrechter aan de werknemer een dergelijke vergoeding toekent. Deze vergoeding is overigens niet mis: maar liefst zo’n € 220.000,-- bruto.

Normaal gesproken vraagt de werknemer in een ontbindingsprocedure óók om toekenning van transitievergoeding. In dit geval echter had de werknemer daar om redenen die op het eerste oog onduidelijk blijven, niet om gevraagd. De kantonrechter heeft die vergoeding dan ook niet toegekend: dat mag hij niet, want mag de kantonrechter alleen dát toekennen, wat wordt gevorderd.

Het zit er dik in dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding min of meer in zijn achterhoofd heeft gehad dat de werknemer niet om een transitievergoeding vraagt en dat de kantonrechter mogelijk om die reden een hogere billijke vergoeding toe heeft gekend dan hij zou hebben gedaan indien de werknemer in dezelfde procedure óók gewoon en in een moeite door de transitievergoeding had gevraagd. Het is niet slechts denkbeeldig te veronderstellen dat de werknemer heel bewust het verzoek om toekenning van de transitievergoeding niet meteen ook deed, juist met die overweging in gedachten. Immers, zie hierna, deze transitievergoeding zou ook maar liefst bijna € 400.000,-- (!) bedragen. Dikke kans dat de kantonrechter, met dit soort bedragen, een lagere billijke vergoeding zou hebben toegekend, juist omdat de transitievergoeding al zo hoog was.

Nadat vervolgens de arbeidsovereenkomst ontbonden is en de billijke vergoeding is toegekend, betaalt de werkgever, nadat (de advocaat van) de werknemer daarom heeft verzocht de vergoeding aan de werknemer uit. De werkgever besluit niet in hoger beroep te gaan.

Nadat vervolgens de appel-termijn is verstreken (en de vergoeding dus ook al is betaald) meldt de werknemer zich bij zijn (inmiddels) ex-werkgever met doodleuk de vraag of hij ook even de transitievergoeding mag ontvangen. Uit alles leek in eerste instantie te volgen dat de werknemer geen aanspraak meer zou maken op de transitievergoeding (en genoegen nam met de billijke vergoeding). Sterker nog, zelfs in de ontbindingsprocedure doet de werknemer het voorkomen geen aanspraak te maken c.q. te hebben op een dergelijke transitievergoeding. Heel sneaky echter tovert vervolgens de werknemer zijn konijn uit de hoge hoed. En bovendien doet hij dat op een moment dat de werkgever niet meer terug kan: de beroepstermijn tegen de eerdere beschikking van de kantonrechter is inmiddels verstreken.

Omdat (en ook wel begrijpelijkerwijs) de werkgever zich op het verkeerde been gezet voelt, weigert de werkgever de transitievergoeding te betalen, waarna de werknemer zich andermaal tot de kantonrechter wendt: nu niet om de arbeidsovereenkomst te ontbinden of om aan hem de billijke vergoeding toe te kennen, maar om aan hem de transitievergoeding toe te kennen. De werknemer moet dus voor de tweede keer een procedure starten. Juist omdat je dat als werknemer normaal gesproken niet wilt (wie wil er nou twee keer moeten procederen?) zou het veel logischer zijn geweest als de werknemer in de eerste procedure ook gewoon al meteen de transitievergoeding had gevorderd. Dat maakt de handelwijze van de werknemer nogal curieus, De werkgever verweert zich bij de kantonrechter tegen het verzoek van de werknemer door zich op het standpunt te stellen dat de werknemer, door de wijze waarop hij zich in de eerste procedure heeft uitgelaten, zijn recht op de transitievergoeding heeft verspeeld. De kantonrechter gaat daar in mee en wijst de vordering van de werknemer af. De werknemer vangt dus bot.

Hij laat het er echter niet bij zitten en gaat van die beslissing in hoger beroep bij het hof. Het hof oordeelt vervolgens, in tegenstelling tot de kantonrechter, dat de werknemer zijn recht op de transitievergoeding niet verspeeld heeft. Het hof meent dat de werknemer nooit uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op een transitievergoeding enerzijds en anderzijds dat de werkgever, als zij meer zekerheid had willen hebben over de ware bedoelingen van de werknemer, meer en beter onderzoek had moeten doen en had moeten doorvragen bij de werknemer.

Uiteindelijk leidt dat er toe dat bovenop de reeds eerder toegekende billijke vergoeding, de werknemer óók de transitievergoeding krijgt betaald. Deze is bepaald ook niet misselijk en bedraagt maar liefst € 368.000 bruto. Het is in het licht van de hoogte van beide bedragen en de manier waarop de werknemer het spel gespeeld heeft, dat meer dan voorstelbaar is dat de werkgever zich pootje gelicht voelt.

Hoewel de zaak nogal a-typisch is, kan er wel uit geleerd worden om nooit zomaar ergens op te vertrouwen, maar om op zeker te gaan: de werkgever had kunnen voorkomen dat het zover kwam, óf door al meteen in hoger beroep te gaan tegen de eerdere uitspraak van de kantonrechter tot toekenning van de billijke vergoeding óf door in ieder geval niet te gemakkelijk moeten aannemen dat de werknemer de transitie vergoeding wel zou laten zitten. Niettemin volgt wel uit de uitspraak van het hof dat hoe dan ook de werknemer het, zacht gezegd, niet erg correct gespeeld heeft. De werkgever wordt daar helaas het slachtoffer van (Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2018:2466).

ga terug naar overzicht »
Contact

Kantoor

+31 (0)76 523 6070
info@puuradvocaten.nl

PUUR Advocaten
Verlengde Poolseweg 18
4818 CL Breda